Wat leer ik in Groep 6

Taal

In alle groepen is er per thema aandacht voor allerlei verschillende vormen van taal, zoals mondelinge taalvaardigheid ( een gesprek voeren, spreken en luisteren) , schriftelijke taalvaardigheid (een brief kunnen schrijven) en spelling. Hieronder vindt u de belangrijkste doelen en de nieuwe onderdelen die aan bod komen op het gebied van ‘verkennen van taal’. Het gaat dan om het verkennen van tekens , woorden, zinnen en taalgebruik.
De kinderen leren minderfrequente voorzetsels gebruiken.
De kinderen leren afkortingen herkennen en gebruiken en leren afkortingen uitschrijven.
De kinderen leren de persoonsvorm vinden met de tijdproef.
De kinderen leren scheidbaar samengestelde werkwoorden herkennen als onderdeel/onderdelen van het gezegde. 

De kinderen leren van een werkwoord een zelfstandig naamwoord maken (werken- het werk, bestellen – de bestelling).
De kinderen leren persoonlijke voornaamwoorden herkennen.
De kinderen leren dat een aantal zelfstandige naamwoorden geen enkelvoudsvorm of meervoudsvorm heeft (het geld).
De kinderen leren pleonasmen herkennen (de grote reus).
De kinderen leren de vergrotende en overtreffende trap schrijven (klein-kleiner-kleinst) 

Spelling

Bij spelling wordt onderscheid gemaakt tussen luisterwoorden ( schrijf het woord zoals je het hoort), weetwoorden ( die moet je weten) en regelwoorden ( bij deze woorden hoort een regel). Er zijn voor kinderen die moeite hebben met spelling ook spellingshulpjes

De volgende spellingscategorieën komen aan bod per thema (ww = werkwoordspelling):

Thema 1 :

ng/nk, (luisterwoorden), ch/cht, ij/ei (weetwoorden)
ww: stam van het werkwoord en de plaats van persoonsvorm in de zin (vraagproef )

Thema 2:

Au/ou , i, klinkt als ie (weetwoorden), v/f-, s/z-wisseling (regelwoorden) ww: zelfde klankwerkwoorden in de verleden tijd, overeenkomst onderwerp en persoonsvorm in getal (getalproef )

Thema 3:

c, klinkt als s of k, -ig, -lijk (weetwoorden), verkleinwoord met-je, -nkje, -etje (regelwoorden)
ww: andere klankwerkwoorden in de verleden tijd, persoonsvorm verandert als de tijd verandert (tijdproef )

thema 4:

eind -d , open lettergreep, gesloten lettergreep, dubbele medeklinker (regelwoorden)
ww: onregelmatige werkwoorden in de verleden tijd

Thema 5:

ei/ij, au/ou, age, -oge (weetwoorden), samenstellingen zonder tussenletter (regelwoorden)
ww: je/jij achter persoonsvorm in de tegenwoordige tijd, scheidbaar samengestelde werkwoorden

Thema 6:

achtervoegsel –heid, c, klinkt als s of k (weetwoorden), apostrof ‘s (regelwoorden) ww: persoonsvormen met -d, -dt, en -t in de tegenwoordige tijd

Thema 7:

open lettergreep, gesloten lettergreep, dubbele medeklinker, open lettergreep, korte a-klank (regelwoorden) Ww: zelfde klankwerkwoorden: -dd- en -tt- in de verleden tijd

Thema 8:

Vergrotende en overtreffende trap, i, klinkt als ie, tie, klinkt als (t)sie (weetwoorden)

Lezen 

Voor technisch lezen wordt gebruik gemaakt van de methode ‘estafette’. Midden groep 6 beheersen de meeste kinderen leesniveau M (midden) 6, eind groep 6 is dit E (eind) 6.

Daarnaast wordt er gebruik gemaakt van de methode ‘Nieuwsbegrip’ voor begrijpend lezen. Nieuwsbegrip ontwikkelt wekelijks teksten die aansluiten op het nieuws.

Rekenen

Wij werken met de nieuwe methode van Wereld in getallen.
In principe werken de kinderen digitaal waar het kan, op papier als het moet. De software remedieert en verrijkt de methode. Dit gebeurt elke les en niet pas na de toets. Dat is op een andere manier naar leerlijnen kijken en een grote verandering ten opzichte van de vorige editie van De wereld in getallen. Dit maakt het rekenonderwijs nog slimmer en effectiever.
De leerlingen die dat nodig hebben werken met de leerkracht verder. De leerlingen die al verder kunnen mogen dit ook doen, zij krijgen dan moeilijker werk in hun scherm als ze het werk wat aangeboden is al kunnen.

Blink

De lesmethodes van Blink Wereld voor wereldoriëntatie (geschiedenis, aardrijkskunde en natuur & techniek) gaan uit van een activerende didactiek waarbij leerlingen zelf gaan ontdekken en onderzoeken. Leerlingen zijn dus niet opnieuw bezig met begrijpend lezen, maar vergroten actief hun kennis van de wereld. En dat heeft direct positieve invloed op hun vaardigheid in lezen, taal en rekenen. De thema’s van Blink duren ongeveer 5 lessen waarbij je middels geleid onderzoek de diepte in gaat per vak en thema’s van ongeveer 12-20 lessen waarbij de kinderen veel ruimte krijgen voor eigen onderzoek en waarin verschillende wereldoriëntatievakken zijn geïntegreerd.

 

Sociale vaardigheden en expressie

Onder expressie verstaan we tekenen, handvaardigheid , muziek , dans en drama. We hebben hiervoor de methode ‘moet je doen’. De leerkrachten maken hieruit een keuze of zoeken activiteiten die aansluiten bij thema’s vanuit andere vakgebieden.

Voor sociale vaardigheden hebben we de methode ‘kanjertraining’. Het belangrijkste doel is dat een kind positief over zichzelf en een ander leert denken. De Kanjertraining geeft kinderen handvatten in sociale situaties en daardoor komt tijd en energie vrij. Binnen de Kanjertraining worden kinderen geconfronteerd met de gevolgen van hun gedrag. Deze informatie krijgen ze van hun klasgenoten en indien nodig van de leerkrachten.

Het principe van de Kanjertraining bestaat uit het bewust worden van vier manieren van reageren. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van vier typetjes:

Pestvogel (zwarte pet): Uitdager, bazig, hork, pester.
Het zwarte petten gedrag denkt goed over zichzelf, maar niet goed over een ander.

Aap (rode pet): Grapjurk, uitslover, meeloper, aansteller, malloot.
Het rode petten gedrag denkt niet goed over zichzelf, maar ook niet goed over een ander.

Konijn (gele petten gedrag): Te bang, vermijdend, faalangstig en stil.
Het gele petten gedrag denkt slecht over zichzelf en goed over een ander.

Tijger (witte pet):, gewoon, normaal, te vertrouwen, aanspreekbaar op gedrag.
Het witte petten gedrag denkt goed over zichzelf en de ander.

Tijdens de Kanjertraining staan vijf afspraken centraal:

-         We vertrouwen elkaar.
-         We helpen elkaar.
-         Niemand speelt de baas.
-         Niemand lacht uit.
-         Niemand doet zielig.

HOE LEREN WE KINDEREN OM TE GAAN MET PESTVOGELS?

Uitschelden, Reactiemogelijkheden

Ik doe daarom als een tijger. De pestvogel scheldt mij uit. Ik zeg: Nou en! ….en loop weg. Ik gebruik mentale judotechniek. Dat doe ik door niet tegen te spreken maar te denken: als jij dat wil zeggen, ga je gang, maar ik heb geen zin om hiernaar te luisteren.

Ik haal mijn schouders op en laat de pestvogels en de aapjes kletsen. Ik weet dat de pestvogel en het aapje altijd ruzie willen, omdat ze stoer willen doen of grappig willen zijn. Daarom ga ik het winnen. De aapjes en pestvogels krijgen hun zin niet. Ik laat mij niet uitdagen. Ze zijn niet wijzer.

Vals beschuldigen, spullen afpakken, schoppen, slaan, duwen, voordringen, bedreigen en de baas spelen. Reactiemogelijkheden:

Ik let op mijn gevoel: ruziemaken is vervelend. Ik denk na wat ik wel en niet wil. Ik vraag of de pestvogel wil stoppen, want ik vind dit niet leuk. En ik loop weg.
Als de pestvogel doorgaat, roep ik de hulp in van de leerkracht. Deze zorgt voor een passende straf voor de pestvogel en licht desgewenst de ouders van de pestvogel in.

In de kanjertraining wordt vaak gevraagd: is het jouw bedoeling om….jouw moeder teleurgesteld te krijgen ….de juf kwaad te maken …..deze jongen verdrietig te maken?
Als het kind antwoordt dat het zijn bedoeling is kan het antwoord zijn: “Dat is dan gelukt, maar dan heb je een probleem, het wordt niet geaccepteerd. Kinderen willen niet met je spelen als je je zo gedraagt. Als je iedereen dwars wil zitten ben je op de goede weg.”
Antwoordt het kind dat het niet zijn bedoeling is, dan antwoorden we: “Doe dan anders!” Het kind krijgt dan tips van de andere kinderen en eventueel van de leerkracht over de manier waarop hij dat kan aanpakken.

De Kanjertraining probeert elk kind in te laten zien dat het beter en prettiger is voor jezelf en voor een ander om je goed te gedragen. Iedereen wil toch een kanjer zijn!

Huiswerk

Het huiswerk wordt opgebouwd van groep 4/ 5 naar groep 8. Het huiswerk dat de kinderen mee krijgen, moeten ze in principe zelfstandig kunnen maken.

In groep 5 wordt er ook gestart met spreekbeurten. Hier worden in groep 5 andere eisen aan gesteld dan in groep 8. Binnenkort ontvangt u hiervoor nog een hulpkaart, zodat u weet wat de bedoeling is.